Hier in de straat wonen gewoon ‘vaders’ en ‘moeders’. De kindjes heten Mark en Liesbeth. De buurman is een ‘buurman’ en voor de gezelligheid heb je ‘vrienden’. Eén straat verderop wonen de ‘vaderrrrrrs’ en de ‘moederrrrrrs’. De kinderen daar heten Marnix en Marie-Claire. De buurman is een ‘kèrel’ en vrienden zijn ‘vrindjes’.
En elk jaar organiseert die ‘buurt-van-één-straat-verder’, een Koninginnedagfeest. Die feesten zitten altijd bijzonder goed in elkaar. Kinderspelletjes, schmink, ballonnen en een springkussen. Wij vallen precies binnen het uitnodigingsgebied.
En dus gaan we elk jaar. Want zo leuk voor de kleintjes. En elk jaar weer worden we gek van het “ge-urre-ur”. Van zinnen als: “Mijn man, hij is notaris, …. ”. Om nog maar te zwijgen van de outfits waar íets te opvallend een casual-air omheen zweeft. Maar onze buren gaan ook en zo hier en daar treffen we altijd leuke mensen.
Zoals elk jaar is er een wedstrijd. Kaartjes met adressen zijn thuis al geschreven, nu de ballon nog. Verschillende mensen delen ze uit. Steeds als ze op zijn, lopen ze naar binnen om een nieuwe tros te halen. Ik wacht geduldig met Lizzy. Eén bos wordt uitgedeeld. De tweede bos komt. Ik vraag niet. Ik wacht. Maar dat blijkt niet de methode. Over mijn schouder komen grijpende handen. Volwassen handen. Ze kapen elke keer de ballonnen voor Lizzy’s neus weg. “Ja, hierrrr,” hoor ik een ronde ‘r’, “Fleurrrr heeft nog niet.” En dan moeten Lizzy en ik weer wachten.
“Gezellig hier,” zegt mijn achtervrouw als Lizzy en ik eindelijk met ballon terugkeren, “maar wat kunnen die kakkers grááien zeg!”