Jurgen en ik hebben allebei geen groene vingers. Het is niet dat we bloemen en planten niet waarderen, we kunnen er alleen weinig mee. Toen we het huis waarin we nu wonen kochten, had het een prachtige achtertuin met struiken en planten. Heel sfeervol, maar omdat we gingen uitbouwen moest het meeste eruit om – je raadt het al – niet meer terug te keren. Onze achtertuin is nu een soort betegelde speeltuin, met een schommel en allerhande fietsjes en tractoren (ik heb daar geloof ik wel eens een foto van geplaatst hier).
Bij de voortuin was het gelukkig een iets ander verhaal. Daar bouwden we niet uit, en daar bleven de oorspronkelijke planten en struiken gewoon staan. Dat leverde prachtige (pioen)rozen op, waar ik oprecht blij van werd als ik er naar keek. De mooiste roos nam ik vaak mee naar het graf van mijn zwager. Het voelde, kortom, goed dat we toch zoiets moois in onze tuin hadden. Toch had ook dat stukje voortuin onderhoud nodig natuurlijk. Meestal deed mijn schoonmoeder, die wel groene vingers heeft, dat, maar op een goede dag ergerde Jurgen zich aan een wat hem betreft dode struik, en ging zelf aan de slag.
Ik lette er verder niet op tot Jurgen na een X-aantal uur tevreden weer naar binnen kwam. “Het is echt opgeknapt”, meende hij, “ga maar eens kijken”. Dat deed ik, maar ik kon wel huilen toen ik het zag. Niet alleen de dode plant was verdwenen, maar ook de prachtige rozenstruiken. Ze waren nog net niet met wortel en al uit de grond getrokken: een paar kleine stukjes stam staken nog boven aarde. Daar gingen mijn rozen. Het zou vast járen duren voordat ze er ooit weer waren, als dat al gebeurde. “Wat heb je gedaan?”, vroeg ik, met nu echt tranen in mijn ogen. Jurgen, zich van geen kwaad bewust, mompelde iets in de trant van ‘ik dacht dat het ook dood was’ en ‘ze groeien heus wel weer aan hoor’.
Ik geloofde er niet in, maar Jurgen – of het nou uit schuldgevoel was of niet – hield de struik, of dat wat er van over was, goed in de gaten. Regelmatig kreeg ik rapporten over de stand van zaken: “Heb je gezien dat hij groeit?” “Ja”, antwoordde ik dan, “maar er komen echt geen rozen aan hoor”. Groot was dus zijn vreugde toen hij me een paar weken geleden meldde dat er toch echt knoppen aan de struik zaten. Ik kon het bijna niet geloven: zouden er echt al zo snel weer rozen aan groeien? De struik had nog niet half zijn oorspronkelijke lengte bereikte, ik dacht dat dat een eerste vereiste was. Maar nee, Jurgen had gelijk: nog geen seizoen hoefden we het zonder rozen te doen. En ze zijn nog net zo mooi ook (kijk maar naar het plaatje). Ik vind het prachtige symboliek: iets kan nog zo hopeloos lijken, maar het komt altijd weer goed. Wat mij betreft gaat het leven wél over rozen!