Hier het tweede deel van mijn Vlaams-Nederlandse woordenlijst. De letters F t/m J. Ik moet erbij zeggen dat de uitspraak van veel woorden de helft van de fun zijn. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat de Vlaming elk woord op zijn Nederlands uitspreekt. Zoals dat voorbeeld van gangster (een woord dat de Vlaming zowel voor een tasjesdief als voor een doorgewinterde roofovervaller of drugscriminieel gebruikt). Gewoon op zijn Nederlands uitgesproken en niet op z’n Engels zoals wij dat proberen.
En dan nog een West-Vlaams euvel waar ik altijd erg om moet lachen. In West-Vlaanderen spreekt men de ‘g’ uit als ‘h’ en de ‘h’ als ‘g’. Heel gek, maar het is er niet uit te rammen. Mijn moeder, geboren en getogen in Knokke, maar toch al sinds haar prille volwassen jaren in Nederland wonend, heeft daar heel af en toe zelfs nog last van. En je kunt je wellicht voorstellen dat ik tijdens de inzegeningen van de huwelijken van mijn vele Knokse tantes en ooms menig maal proestend mijn kerkbankje ben uitgerold steeds als de priester ‘Geilige Heest’ en ‘Geilig zijt hij…’ zei. Hilarisch!
F
Facteur = postbode
Faience = tegels
Fermette = boerderijtje
Fier = trots
Foef(ke) = vrouwelijk geslachtsdeel
Foor = kermis
Flik = politieagent
Frak = jas
Frietkot = Snackbar
Frigo = koelkast
Frigobox = Koeltas/box
Frikadel = gehaktbal
Froufrou = pony (van kapsel)
G
Gaan = wandelen/lopen
Gast = man/gozer/makker
Gazet = krant
Geen avance hebben = het heeft geen zin
(het) Gelijkvloers = de begane grond
Gelijkvormingsattest = de groene kaart (van de auto of motor)
Gerief = spullen/uitrusting
Geste = gebaar
Gibberen = giechelen
Gileke = vest (gewoon een gebreid vest zeg maar)
ginder = daar
Goesting = zin
grijs brood = bruin brood
GSM = mobieltje
H
Hesp = ham
Hof = tuin
Hutsekluts = rommeltje
I
Ievers = ergens
Inkom = gang/hal/entree(geld)
Immo = vastgoed
Inox = roestvrij staal
Interimkantoor = uitzendbureau
In zijn gat gebeten zijn = Op zijn teentjes getrapt
Isomo = piepschuim
J
Janet = homo/nicht (scheldwoord)
(de) Jaren stillekes = vroeger
Javel = bleekwater
Jeton = muntje
Job = baan/werk
Jogging = Joggingpak
Jom/Jong = Joh
Jupeke/Juupke = rokje